
Jurisprudentie
AV4653
Datum uitspraak2006-03-09
Datum gepubliceerd2006-03-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/444 WUV + 05/443 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-03-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/444 WUV + 05/443 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Aanvraag WUV- en WUBO-uitkering afgewezen. Gezondheidsklachten ten gevolge van Japanse bezetting WOII en de daaropvolgende Bersiapperiode.
Uitspraak
05/444 WUV + 05/443 WUBO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamers WUV en WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, respectievelijk verweerster I en verweerster II.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Verweersters hebben onder dagtekening 14 december 2004, kenmerk JZ/060/2004/0826, en JZ/060/2004, ten aanzien van eiser besluiten genomen ter uitvoering van respectievelijk de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de WUV) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de WUBO).
Tegen deze besluiten heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In de beroepschriften is uiteengezet waarom eiser zich met de bestreden besluiten niet kan verenigen.
Verweersters hebben een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 13 januari 2006 heeft eiser nog de namen van twee personen, J. [naam1 en naam 2] opgegeven die kunnen getuigen dat eiser in kamp Kedoeng Halang heeft verbleven.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 26 januari 2006, waar eiser in persoon is verschenen. Verweersters hebben zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiser, die in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië te Buitenzorg is geboren, in december 2003 bij verweersters een verzoek ingediend om respectievelijk krachtens de WUV erkend te worden als vervolgde of daarmee gelijkgestelde en krachtens de WUBO als burger-oorlogsslachtoffer en, al naar gelang voor hem het gunstigst, onder meer in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en voorzieningen ingevolge een van die wetten.
Eiser baseert die aanvraag op gezondheidsklachten die zijns inziens het gevolg zijn van hetgeen hem in het voormalige Nederlands-Indië is overkomen, te weten, tijdens de Japanse bezetting:
1. Vrijheidsberoving in kamp Kedoeng Halang en het nonnenklooster in Buitenzorg;
2. Het meemaken van beschietingen op een kamp, waarbij een Japanner dodelijk werd getroffen;
3. Afranselingen door een Japanse commandant met een bamboestok;
4. Het zien van gewonde of vermoorde mensen;
5. Het gemis van zijn vader die hoofd van de plaatselijke politie was en na de Japanse inval in gevangenschap werd weggevoerd waarna men dacht dat hij was omgekomen.
tijdens de zogenoemde Bersiap-periode:
6. het moeten vluchten naar Soekasari;
7. het meemaken van huiszoekingen en bedreigingen door pemoeda’s bij de woning dichtbij de ijsfabriek en in Soekasari.
Verweerster I heeft de aanvraag van eiser op grond van de WUV afgewezen bij besluit van 26 mei 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Hierbij is overwogen dat eiser geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de WUV en voorts dat er geen gronden zijn hem met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de WUV met de vervolgde gelijk te stellen. Verweerster II heeft de aanvraag van eiser op grond van de WUBO afgewezen, eveneens bij besluit van 26 mei 2004, zoals na gemaakt bezwaar bij het bestreden besluit gehandhaafd, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de zin van artikel 2 van de WUBO.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of de bestreden besluiten, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte kunnen standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Met betrekking tot de WUV.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WUV wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen, welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof of wereldbeschouwing, hun Europese afkomst of Europees gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.
Op grond van de voorhanden gegevens - waaronder gegevens betreffende de ouders van eiser en een aantal naaste familieleden waarmee eiser tijdens de Japanse bezetting is opgetrokken - heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiser tijdens de bezetting van het voormalige Nederlands-Indië vrijheidsberoving in de hier bedoelde zin heeft ondergaan. De Raad acht hierbij doorslaggevend dat blijkens de informatie van het Nederlandse Rode Kruis in de vanwege deze organisatie geraadpleegde bronnen betreffende de Japanse bezettingsperiode omtrent eiser, zijn moeder en tante Birsak-Verhage geen gegevens zijn aangetroffen die zijn vervolgingsrelaas kunnen bevestigen. Ook de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen heeft in de haar ter beschikking staande archieven geen gegevens die het relaas van eiser bevestigen, aangetroffen, evenmin als het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.
Ten aanzien van de weigering van verweerster I om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de WUV met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge dit artikellid is verweerster I bevoegd - voor zover van toepassing - met de vervolgde gelijk te stellen, de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de WUV een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster I een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad in een geval als dit het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen.
Eiser heeft aangevoerd dat hij zijn vader erg heeft gemist na zijn gevangenneming en dat het (achteraf foutieve) bericht van zijn overlijden voor hem en zijn moeder een zeer ingrijpend verloop van de oorlog tot gevolg heeft gehad.
Blijkens de gedingstukken heeft verweerster I zich op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft verkeerd in met vervolging vergelijkbare omstandigheden, in aanmerking genomen dat de vader van eiser uit gevangenschap is teruggekeerd, en dat eiser aan zijn wegvoering geen herinneringen heeft (eiser was toen nog pas twee jaar oud). Ook de andere naar voren gebrachte gebeurtenissen acht verweerster I niet met vervolging vergelijkbaar.
De Raad kan zich met dit standpunt van verweerster I verenigen. Gelet op de omschrijving van het begrip vervolging in artikel 2 van de WUV, kan ook de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat de door eiser aangevoerde oorlogservaringen in een te ver verwijderd verband staan tot doel en strekking van de WUV. Het bestreden besluit kan mitsdien de hiervoor omschreven toetsing van de Raad doorstaan.
Gezien het vorenstaande kan niet gezegd worden dat verweerster I niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen eiser niet met de vervolgde gelijk te stellen.
Met betrekking tot de WUBO.
Zoals hierboven reeds is overwogen, is een verblijf van eiser in kamp Kedoeng Halang en het nonnenklooster in Buitenzorg gedurende de Japanse bezetting of in de Bersiap-periode niet aannemelijk geworden en ook al zou door genoemde getuigen J. Rozemond en B. Fentross (die overigens bij verweerster niet bekend zijn) kunnen worden bevestigd dat eiser in de Bersiap-tijd in het kamp Kedoeng Halang heeft verbleven, dan nog kan een verblijf in dit kamp dat in deze periode, historisch gezien, bekend heeft gestaan als een beschermingskamp voor vrouwen en kinderen, niet onder de werking van de WUBO worden gebracht.
Verweerster II is voorts van opvatting dat niet is komen vast te staan dat eiser direct betrokken is geweest bij beschietingen op een kamp, waarbij een Japanner dodelijk werd getroffen. Het zelfde standpunt heeft verweerster II ingenomen ten aanzien van het meemaken van huiszoekingen en bedreigingen door pemoeda’s bij de woning dichtbij de ijsfabriek en in de wijk Sukasari, die bovendien niet tegen eiser zelf waren gericht en niet gepaard zijn gegaan met excessief geweld. Ook acht verweerster II niet komen vast te staan dat eisers vlucht naar Soekasari tijdens de Bersiap-periode vanuit een levens-bedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaats-gevonden.
Het zien van gewonde of vermoorde mensen valt naar het oordeel van verweerster II niet onder de werking van de WUBO, en van de afranselingen door een Japanse commandant met een bamboestok heeft verweerster II buiten eisers eigen verklaring, geen bevestiging kunnen verkrijgen.
De Raad heeft in de voorhanden gegevens geen aanknopingspunten gevonden die aan deze opvattingen van verweerster afbreuk kunnen doen.
Verweerster II heeft zich, naar het oordeel van de Raad gelet op het vorenstaande, dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de WUBO.
Uit hetgeen hierboven is overwogen vloeit voort dat het beroep in beide gedingen niet kan slagen. Hierbij geldt dat - naar de Raad in vaste rechtspraak heeft aanvaard - een door betrokkene gemeld vervolgingsrelaas evenals gemelde oorlogscalamiteiten niet uit-sluitend op diens eigen verklaringen als voldoende vaststaand kunnen worden aange-merkt, maar dienen te worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens.
Dit betekent ook dat verweersters aan een beoordeling van de door eiser naar voren gebrachte gezondheidsklachten niet meer konden toekomen.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en
mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.

